
Westenwindkind
©ELS LECLERCQ
PARABEL VOOR VOLWASSENEN
over angst en jouw innerlijke kind. over erkennen en helen
Het was een heldere dag in mei. Het felle zonlicht wierp strakke vormen op de houten vloer. De schaduwen bewogen als angstige dieren over de planken. Het meisje was een van hen. Onrustig bewoog ze zich door de kamer. Heen en weer, van de sofa naar het raam en weer terug. Nergens leek ze veilig. Benauwd. Buitenlucht zou haar goed doen. Ze voelde dat ze naar buiten moest. Maar de taferelen waren te heftig. De verhalen te luid. De wind te strak.
Haar angst voor de wind was er altijd geweest. Niemand wist waar die vandaan kwam. Ze wist al lang niet meer hoe het ooit begonnen was. Of toch wel. Ergens toen ze nog heel klein was. Ze had naar adem gehapt. In paniek. Geen troost nabij. De angst had zich in haar lichaam vastgehecht. Jaar na jaar was het erger geworden, tot ze op het punt was gekomen waar ze nu stond. Op haar dikke, wollen sokken voor het raam, rond haar voeten het verhaal dat zich buiten afspeelde. De storm die langs haar huis gierde en de takken van de bomen tegen het raam gooide. Ze had geluk vandaag. Dat het niet regende. De combinaties maakten het nog erger. Felle zon wisselde af met donkere wolken. De vloer werd dan rustig. Hoewel net de zon de nodige troost bood.
Haar thee was inmiddels koud, haar boek onaangeroerd. Lezen had geen zin, ze zou het nauwelijks kunnen navertellen. Haar andere oefeningen had ze allemaal afgewerkt. Schrijven, kleuren, mediteren, ademen, opruimen, afwassen. Dat laatste was het beste geweest. Zoals altijd. Afleiding zoeken. Alle aandacht naar het kopje in haar handen. Het zachtjes omarmen. Laten wentelen in de palm van haar handen. Aaiend over het gouden randje, dat inmiddels begon af te slijten. De kopjes waren nog van oma geweest. De tere handgeschilderde bloemetjes voelden net iets ruwer dan het heldere perfecte porselein. Een streling over het elegante oortje. Ook daar wat goud met ragfijne krasjes erin. En weer terug over de ronde buik. Schuimend water. De geur van afwasmiddel. Langzaam blijft ze het kopje wassen. Als een baby die een badje krijgt. Niet vuil. Wel wassen, gewoon om te wassen. Een teder moment voor haar angst. Daarbij haar eigen handen meenemend in de zachte strelingen. Warme golven wellen op in haar lichaam. Geluk. Liefde. Voor zichzelf. Voor het kopje. Geen idee. Maakt niet uit. Het is ok.
Ze staat er alleen voor. Altijd voorzien op dit soort dagen. Geen zorgen om eten, dat is er voldoende in huis, zelfs de kat zou geen honger lijden de komende dagen. Enkel adem had ze niet in voorraad. Dat oogstte je bij elke teug. Voor zover je kon.
Natuurlijk kon ze dat. Ze wist dat ze niet in gevaar was. Toch was een deel van haar altijd doodsbang dat ze geen adem zou krijgen. Zelfs terwijl ze het gewoon deed. Niemand begreep haar angst. Hoezo, niet kunnen ademen. Dan ben je dood meid. Natuurlijk kan je ademen, gekkie. Ze maakten het alleen maar erger. Ze wist toch heus wel hoe het werkte. Adem in, adem uit. Zuurstof in. Lege lucht uit. En toch krijste haar lijf als het buiten waaide.
Jaar na jaar had het haar wereld kleiner gemaakt. Ze durfde nauwelijks nog buiten komen. De winters waren de ergste. Als het wekenlang woelde rondom het huis. Maar vandaag was het eind mei. Niet eens koud. Niet nat. Enkel de westenwind. Vijf beaufort. Minstens. Dat wist ze wel zeker. Ze wilde graag naar buiten. Oh ja, ze wou het zo graag. Ze droomde ervan om helemaal op het einde van het schiereiland te gaan staan, haar armen wijd. De vuurtoren vlakbij. Dat leek haar een prachtig gevoel. Vrijheid, de wind die om haar heen danste, wapperende haren, de kracht van de zee horen. Waar die wens vandaan kwam wist ze niet. Zolang ze zich kon herinneren was ze doodsbang geweest van datgene wat ze het allerliefste wilde voelen.
Ze bleef binnen. En keek ze door het raam. Terwijl ze in zichzelf de tweestrijd voerde. Dan zag ze de mensen voorbij wandelen. De hoed of paraplu’s stevig vasthouden. De kinderen die buiten speelden. Hun vliegers leken de wind nog aan te moedigen. Pak me dan als je kan! Met flapperende vleugels daagden ze hem uit. Niemand leek ooit in paniek. Maar de orkaan in haar binnenste, het bewegende behangpapier op de vloer, de takken tegen het raam. Die vertelden haar een ander verhaal.
Het verhaal van de wind. Westenwind vandaag. Westenwindkind. Wat klonk het mooi. Ja, ze was een westenwindkind. Maar niet in de versie die ze graag wou zijn. Het kleine meisje in haar richtte haar hoofdje op. Grote ogen. Nieuwe sprankeltjes. Mag ik een verhaaltje? Het grote meisje hield van verhalen. En poëzie. De titel was niet zo maar in haar opgekomen. Ze zou haar verhaal herschrijven. Ondanks de angst had de wind haar altijd geroepen. Een lokroep die altijd ergens aanwezig leek, zelfs als hij weggeblazen werd door de angst.
Ze keek weer naar buiten. De wind was even gaan liggen. Zo meteen zou de volgende windvlaag komen maar in tussentijd waren er kansen. Kansen om in te ademen. Ze schoof haar voeten in haar pantoffels en draaide haar dikste sjaal om haar nek. Legde haar hand op de deurkruk. Hoe vaak had ze dit ritueel al niet geoefend. Zo’n honderd keer per jaar. Haar hele leven lang. Twee stappen en weer terug naar binnen waaien. Vandaag zouden het er drie worden. Echt wel.
Behoedzaam draaide ze de deurknop om en opende de deur op een kier. Meteen stormde de eerste vlaag binnen en al even snel sloeg ze de deur weer dicht. Ze blies uit. Stond trillend op haar benen. Ze had angstvallig haar adem ingehouden. Zoals ze altijd deed. Zucht. Adem. Zucht. Ok. Je doet het goed. Je kan het. Even op adem komen. Opnieuw draaide ze de deurknop om. Ze nam een grote teug en stapte voorzichtig naar buiten. De deur liet ze open staan. Ze mocht er niet aan denken dat die straks zou klemmen. De sjaal duwde ze dicht tegen zich aan. Hoe lang kon ze inmiddels haar adem inhouden? Een minuut? Of nog langer als ze héél zachtjes de lucht tussen haar lippen zou laten wegglippen. Niet naar de takken kijken. Niet naar het gras. Voel de zon. Voel. Voorzichtig inademen vanachter de wollen sjaal. Die zit tot over haar neus. Geen windvlaag kan daar door. Genoeg zuurstof erachter. Adem uit. Nog een stap. En nog eentje.
Alsof de wind haar deze keer wilde helpen houdt ook hij de adem in. Slechts een zachte bries. Geen storm. Een aanmoediging. Zijn stem nog net hoorbaar. Zou ze eindelijk luisteren naar zijn verhaal? Zou ze durven? Hoort ze hem?
Voetje voor voetje gaat ze verder. De zon is er weer. Tussen twee donkere wolken door. Ze sluit heel even haar ogen. Voelt de warmte. Haar haren meppen in haar gezicht. Ze draait voorzichtig haar hoofd. Haar haren veranderen meteen van richting. Opnieuw veegt ze enkele opzij. Haar vingertoppen strelen langs haar voorhoofd. De westenwind lijkt hetzelfde te doen. Ik ben er voor jou. Je bent veilig. Je kan ademen. Ik voel je. Zij voelt mij nu ook. Eindelijk. Haar handen houden nog steeds de haarstreng vast. En toch lijkt het alsof ze haar eigen vingers op haar voorhoofd en wangen voelt. Haar andere hand duwt de sjaal een stukje naar beneden. Ze sluit haar ogen. De wind is weer toegenomen in kracht, een stevige windvlaag wentelt om haar heen. De angst wervelt ook. Meteen spurt ze naar binnen, de veilige cocon van haar huis. Hijgend en zwetend staat ze op de deurmat. Trillend op haar benen. Het kleine meisje giert en krijst in haar. Het grote meisje voelt het ook. Maar voelde ook iets anders.
Ze blijft staan in de deuropening. De deur staat half open. Op veilige afstand. Weer sluit ze haar ogen. Ze staat nu met haar hele gezicht in de wind in de deuropening van haar kleine huisje. Haar haren wapperen naar achteren, de sjaal was inmiddels naar beneden gezakt. Ze voelt het weer. Als een streling. Zachte vingertoppen op haar voorhoofd. Een stem in haar hoofd. Vertrouw me. Ik ben er voor je. Volg maar.
Haar nieuwsgierigheid neemt het over van de angst. Ze zet haar eerste stappen in het gras. De zon komt er opnieuw door. Haar lichaam lijkt te ontspannen. Verbazing en verwondering groeien. Vertrouw me fluistert hij.
Ze blijft de ene voet voor de andere zetten. Haar vertrouwen groeit. Ze denkt aan de vuurtoren en de zee. Haar lichaam wordt zachter en warmer. Hoewel de zon alweer achter de wolken zit voelt ze een warme gloed in haar. Het golft, wentelt. Ze voelt de fluistering.
Tranen lopen over haar wangen als ze weer naar binnen gaat. Ze gaat zitten, opent haar dagboek en schrijft: “Het westenwindkind”
Het verhaal rolt binnen als de wind. De zon laat op de vloer een nieuw verhaal bewegen.
ANGST BESCHERMT
JOUW INNERLIJKE KIND
EN DOET DIT LUIDKEELS
EN VOL OVERGAVE
lees verder
TEGEN
WELKE ANGST
VECHT JIJ?
en wat is het verhaal eronder?
Fantasie verhalen openen poortjes in ons (onder)bewustzijn. Daarom zijn ze krachtige tools om een gesprek te openen. Heeft Westenwindkind jou geïnspireerd? Heeft iets in zijn verhaal jou aan het denken gezet? Wie is jouw angst, en wie fluistert een andere booschap? Welke stukje begon te resoneren?
Als je herkenning voelt in dit verhaal, stuur me dan even een berichtje. Desnoods enkel het woord "westenwindkind". Dan weet ik genoeg. Dan stuur ik je in alle rust een berichtje terug.

ALS ANGST JE NU NAAR DE KEEL GRIJPT,
HOEF JE HET KOMENDE UUR NIET ALLEEN TE DRAGEN.
HIER MAG DE STORM ER ZIJN.
contact
Angst is de beschermer van jouw kleine ik
Vleugelverhalen zijn fantasie verhalen om datgene wat vastzit een weg naar buiten te geven. Zo geven we jou, maar ook je kinderen geen lichtere last, maar sterkere vleugels!
Voor iedereen die zichzelf wat kwijtgeraakt is en sterke vleugels nodig heeft om door het leven te fladderen.
Verhalen waarin
• angst een plaats en een uitweg mag krijgen.
• grenzen en emoties niet langer mistige wolken zijn.
• perfectionisme mag verzachten zoals de volle maan.
• vrijheid zich niet laat tegenhouden door kooitjes.
• vleugelverhalen prachtige woorden zijn om pluimen te geven.
